In goed gezelschap

Katten staan erom bekend dat ze van nature solitaire wezens zijn. Dat is algemeen bekend, maar het neemt niet weg dat de omstandigheden waaronder een poes opgroeit ook van invloed zijn op zijn persoonlijkheid.  Zo was ik uitermate verbaasd vast te moeten stellen dat de zogenaamde geredde straatkatten die ik tegenkwam vaak een bijzonder sociaal karakter hadden. Het is al ietsjes beter te begrijpen als je je realiseert dat deze dieren vaak noodgedwongen in groepen leven; het verschaft hen onder meer veiligheid in een vijandige omgeving. Daaruit zou geconcludeerd kunnen worden, dat ook poezen die van jongs af aan gewend zijn in menselijk gezelschap te verkeren, vaak heel gezellig zijn. 

Tommie was de personificatie van een sociale kat. Als kitten kwam hij terecht in een gezin met twee jongens van rond de tien jaar oud, waar bovendien dagelijks een half dozijn andere, jonge kinderen over de vloer kwam. Met ‘jong’ bedoel ik in dit geval onder de vier jaar, want zijn baasje faciliteerde kinderopvang aan huis. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan alleen een kitten die zich helemaal veilig voelt, zich in een dergelijke situatie handhaven. Katten houden immers van voorspelbaarheid, en kinderen voldoen per definitie niet aan die kwalificatie. 
Deze kat bleek menselijk gezelschap heel prettig te vinden. Bij aankomst voor de sit opende ik de voordeur met een sleutel, om vanachter glas oog in oog met een sip kijkend poesje te staan. Terwijl ik mijn spullen naar binnen loodste, miauwde hij klaaglijk: “Waar was je nou toch al die tijd,” leek hij te willen zeggen, “ik was helemaal alleen”. Alles was snel vergeven en vergeten. Het luide gespin kwam me tegemoet zodra de tussendeur openzwaaide en een gesprek kwam op gang. Tommie miauwde, ik babbelde terug. Hij was erg gemakkelijk in de omgang, wilde geaaid worden zodra hij me zag en kwam op schoot zitten zodra ik plaatsnam op de bank. Dat verliep altijd volgens hetzelfde stramien: Tommie nam plaats en zocht zijn positie, wat meestal tegenover mij was. Dan legde hij zijn pootjes ter hoogte van mijn borsten, om vervolgens op genotvolle wijze een pompende beweging te maken, waarbij de nageltjes helaas niet ingetrokken bleven. Lang leve de bh met vulling!

Er waren slechts twee situaties waarin ik een beetje op hem moest mopperen. Vermoedelijk zag hij mijn laptop als een rivaal, want daar blijf hij maar over heen en weer lopen als ik aan het werk was. Ook een bord met eten had een magnetische aantrekkingskracht op hem. Waarschijnlijk een teken van intelligentie, een nieuwsgierig poesje moet haast wel een slim poesje zijn. Op beide situaties reageerde ik echter steevast hetzelfde: door hem vriendelijk doch gedecideerd op de grond te zetten.  

Bij het afscheid was Tommie in geen velden of wegen te bekennen. Het gerommel met spullen en gesjouw met tassen vond hij waarschijnlijk niet zo geslaagd, want hij had zich onder de bank verschanst. In mijn verbeelding zag ik hetzelfde verbouwereerde gezichtje dat ik bij aankomst trof: “He, ga je nu alweer weg?”

Geef een reactie