Reisverslag van een kat

Enkele jaren geleden kreeg ik dit boek van een vriendin. Omdat ik zoveel van katten hield, moest ik dat boek wel mooi vinden, zo luidde de insteek. Op de kaft prijkt dan ook een zin uit een artikel dat in The Guardian verscheen: “Iedereen die ooit ongegeneerd veel van een kat hield, zal dit boek met dankbaarheid lezen”.

A good read 💞 about a cat who loves his adopted human so very very much 😻  #boek #book #bookworm #agoodread #livre #kat #cat #kattern #kat… | Boeken,  Katten, Roman

Nana is een ruige kat die gewend is aan het leven op straat en niet veel met mensen op heeft. Zijn leven verandert radicaal zodra hij een zilverkleurige minivan uitkiest om zijn dutjes op te doen. Hij sluit vriendschap met de eigenaar van de auto, een jongeman genaamd Satoru. Die geeft hem lekkere hapjes in ruil voor het privilege hem te mogen aaien. Als Nana wordt aangereden neemt Satoru hem als vanzelfsprekend in huis. Hij gaat niet meer weg, want ze worden kat en baasje. Satoru is degene die hem de naam Nana geeft, het Japanse woord voor zeven. Een vroegere kat van Satoru, waar hij ook een bijzondere band mee had, heette namelijk Hachi, wat acht betekent. Toevallig heeft zijn staart ook de vorm van een zeven. Nana vindt de naam maar niets, maar laat het zich welgevallen: ze horen nu immers bij elkaar. Dit is het begin van een liefdesverhaal tussen mens en dier.

Na vijf jaar kondigt Satoru aan dat hij Nana – zonder dat hij uitlegt wat de reden is – niet meer bij zich kan houden. Ze vertrekken op een roadtrip waarbij ze het land doorkruisen en bij Satoru’s oude vrienden logeren. Het wordt snel duidelijk dat er iets vreemds aan de hand is. Bij de eerste tussenstop lijkt het er al op dat Satoru een nieuw huis voor zijn kat zoekt. Die is niet zo welwillend, want overal is wel iets wat hem niet bevalt: per slot van rekening heeft hij al een baasje. Waar Satoru heen gaat, daar wil hij ook heen. De liefde tussen kat en baasje is in tegenspraak met wat altijd over eerstgenoemde gezegd wordt: dat ze slechts houden van degene die hen voedt. “Katten zijn echt niet zo harteloos,” zegt Nana; “hoe zou ik hem ooit kunnen verlaten?”

In de loop van de reis kan gaandeweg niet meer ontkend worden dat er een duidelijke reden is voor de zoektocht. Satoru is ziek, ongeneeslijk ziek. Hij maakt een reis langs alle mensen die hem ooit lief waren. Pas op het laatste adres vindt hij een plekje voor Nana: bij Noriko, de tante die Satoru opnam toen zijn ouders overleden, toen hij nog maar een kind was. Dan pas kan hij sterven, wetend dat zijn geliefde kat een nieuw thuis heeft. En hoewel Nana niet welwillend is, accepteert hij het lot.

Hij krijgt een goed leven bij Noriko, maar Satoru vergeten doet hij nooit. Desondanks is het einde van het verhaal niet droevig. Nana krijgt de verantwoordelijkheid over een nieuwe kitten. Maar in het verschiet ligt het treffen met zijn geliefde baasje. Het deed me denken aan Rumi: “Out beyond ideas of wrong doing and right doing, there is a field. I’ll meet you there”.

Het verhaal van Tom & Jerry

Tom & Jerry zijn in dit verhaal allebei poezen, en broers. Hun bloedband is hen niet aan te zien, behalve dat het beide lenige, ranke katten zijn met zwarte kussentjes onder hun pootjes. Evenmin heb ik ooit gemerkt dat ze naar elkaar toe trekken. De persoonlijkheden zijn heel verschillend. Tom is een eigenheimer, een loner. Hij laat zich aaien, maar daarna is hij meestal snel weer weg: hij komt alleen thuis om te eten. Voorheen was hij meer een binnenkat, maar dan lag hij alleen maar op een boekenplank te slapen. Dat is mijn eerste herinnering aan hem: terwijl ik op de laptop zat te werken, bengelde er een lange zwarte staart net buiten mijn gezichtsveld. Ik zag hem weliswaar niet, maar was me er voortdurend van bewust.

Tom plukt de dag

 Jerry daarentegen is een aanhankelijk beestje. Niet meteen, hij lijkt wat reserves te hebben. In eerste instantie viel hij me ook niet zo op en begreep ik niet waarom juist hij het lievelingetje van het baasje was. Zij was daar heel stellig in: “Van hem houd ik het meest:. Zeker, hij zag er schattig uit met zijn amandelvormige ogen en het zwarte vlekje op zijn neus dat me aan een dropje deed denken. Later – veel later! – begreep ik het pas. Hij verbaasde hij me met zijn affectie. Hij klauterde bij mij op schoot, zette beide voorpootjes op mijn schouders en legde zijn koppie in mijn nek. Wie zwicht er nu niet voor zoveel liefde?

Jerry

Hun baasje vond ze- jaren daarvoor – in haar tuin en ze waren, zoals wel vaker het geval is bij kittens die geen thuis hebben, in een abominabele staat. Ze waren vies, nat en hongerig en zij trok zich hun lot aan. Ze nam ze een tijdje in huis, alleen maar om ze er bovenop te helpen en liet ze daarna weer naar buiten. Helaas ging het daarna weer snel mis. Hun immuunsysteem was niet wat het zijn moest en ze kregen beiden diarree. Hun baasje zette alles op alles om ze er bovenop te krijgen. Dat hield ook in: een permanente status als binnenkat. Eerst verzorgde ze hen op eigen gelegenheid, toen dat niet het gewenste effect had, met hulp van een bevriende dierenarts. 

Tom kwam er al snel bovenop, Jerry bleef een zorgenkindje. Zijn baasje hield hem het liefst zij zich, om een oogje in het zeil te kunnen houden. Dat maakte hem een beetje tot een moederskindje. 

Recentelijk wilde hij plots wat vaker naar buiten: alsof hij nu eindelijk een grote jongen was. Hij hield het slechts enkele weken vol, want hij ontwikkelde een allergie. Zijn buik zat vol met rode vlekken. Daarmee werd het einde van Jerry’s avonturen ingeluid. 

Wat zegt een naam nou helemaal?

Een forse kat met een wat norse uitstraling, dat was het eerste wat me aan hem opviel. Aanvankelijk kwam hij nooit uit zichzelf naar mij toe mits het etenstijd was, dat zal aan zijn ontoegankelijke indruk hebben bijgedragen. Ruwe bolster, blanke pit, zoveel was al snel duidelijk.

In een kattenhuishouden van acht kan het rond etenstijd snel druk zijn. Tel daar de tuinkatten bij op, die daar ‘wonen’ en ook tweemaal daags gevoerd worden en stel je daar de hectiek van voor. We bevinden ons op het mooie eiland Büyükada, Turkije. Gezien het grote aantal zwerfkatten kan het aantal ‘tuinkatten’ per dag verschillen.
Het proces rond etenstijd gaat regelmatig met gegrauw en uithalen gepaard, voortkomend uit een lichte paniek van de kant van sommige poezen die bang dat hun avondmaal aan ze voorbij zal gaan.  Terwijl er altijd genoeg is voor iedereen! 

Lieve Jongen wacht geduldig

Mijn grote vriend is de enige die dat lijkt te begrijpen: hij zit er doorgaans bij en kijkt ernaar, geduldig wachtend. Zodra hij merkt dat ik klaar ben met het uitdelen aan de voortuin-posse, loopt hij meestal al uit zichzelf naar zijn favoriete pilaar in de tuin. Hij weet dat hij daar zijn eten krijgt als ik op punt van vertrek sta. Als ik hem namelijk zou verplichten binnen te eten, wat de gewoonlijke gang van zaken is bij de ‘binnenkatten’, zou hij vervolgens op mijn terugkeer moeten wachten. Ik gun hem zijn tijd lekker buiten door te kunnen brengen, waar hij het liefst is. 
Hij is er dankbaar voor, dat weet ik zeker. Als hij op zijn lievelingspilaar wacht op zijn eten spint hij. Niet luid, dat past hem niet zo. Maar wel duidelijke hoorbaar.

Maar dan die naam! Vanwege een klein maar duidelijk zichtbaar zwart vlekje vlak onder zijn neus, heeft zijn baasje hem Hitler genoemd. In het Turks klinkt dat trouwens als Hitlèr. Tijdens de eerste sit plaatste ik een ludieke prijsvraag op sociale media: kijk goed naar deze grote jongen en raad zijn naam. Wat bleek? Sommigen vermoedden de naam wel, maar vonden deze te schokkend om hem te durven noemen. Zijn baasje haalde haar schouders op toen ik dit bij haar meldde. “Het is alleen maar vanwege het vlekje, geen enkele andere reden,” verklaarde zij. Context is alles. Zij komt uit een ander land, met een andere geschiedenis.

Mister Moustachio

Zelf ben ik er in elk geval nooit helemaal aan gewend, om zijn naam te roepen als het etenstijd was voor de katten. Uiteindelijk heb ik die verbasterd tot ‘Hitlertje’, of nog beter: Lieve Jongen. Dat past ook net iets beter bij zijn vriendelijke inborst. 

De coolste kat

Gelijk al, de eerste zomer, vond ik ÇıtÇıt (zeg: Tjut-Tjut) de coolste kat van het hele stel. De naam is op goed geluk gekozen, door een leerlinge van zijn baasje. Het betekent namelijk ‘drukknoopje’, niet echt voor de hand liggend bij een poes met zo’n zachte en pluizige vacht. Een vertaling van het woord ‘pluizenbol’ was meer relevant geweest!


Hij was op het moment van onze eerste kennismaking aan een streng dieet van speciale brokjes onderworpen, omdat hij last van nierstenen had. Dat regime had wel wat voeten in de aarde, want om hem in de gaten te kunnen houden mocht hij een week niet naar buiten.
Een week! Dat is een ontzettend lange tijd voor de coolste kat van het eiland Büyükada, gelegen in de Zee van Marmara op een steenworp afstand van Istanbul. Maar omdat hij het type ruwe-bolster-blanke-pit was, protesteerde hij niet teveel. Hij probeerde alleen af en toe te ontsnappen. Als hem dat lukte, kostte het gelukkig niet te veel moeite hem te pakken te krijgen en weer mee naar binnen te loodsen. 
Het einde van de kuur werd dan ook met dankbaarheid ontvangen. Eindelijke kon hij weer gaan en staan waar hij wilde: buiten! Regelmatig stond ik oog-in-oog met hem, als hij op een van zijn lievelingsplekje lag, in een zonnescherm dat boven het binnenplaatsje hing dat aan de keuken grensde. 

Oog in oog met ÇıtÇıt

De reden dat hij in mijn ogen de coolste kat van het eiland was, was omdat hij te allen tijde zijn eigen gang leek te gaan. Op zijn dooie gemakje. Zo was ook zijn manier van communiceren. Als ik in de keuken bezig was, volstond een enkel ‘miauw’ om mijn aandacht te trekken. Zijn eigen geluid was uit duizenden herkenbaar, ik hoefde niet te controleren of hij het was. Soms zei hij ook helemaal niets. Dan zat hij op het muurtje te wachten tot ik hem in het vizier kreeg. 

Hoewel hij een je-weet-wel-kater was, was hij voor niemand bang. Niet voor de “echte mannen” uit de achtertuin. Hij keek ze recht in de ogen als hij langs ze liep; ze legden hem nooit een strobreed in de weg. Naar de andere katten uit het huishouden van acht mauwde hij kort ter herkenning. De kittens kregen weleens een corrigerende tik, als ze hem te veel irriteerden in het passeren. Dan gromde en siste hij erbij, zodat het ook voor mij vrij duidelijk was welke verbale oorvijg ze erbij kregen! 

Door die zachte, pluizige vacht zag ÇıtÇıt er uitermate aaibaar uit. Een knuffelkat was hij echter niet. Het leek er sterk op, dat hij zich enig geaai liet welgevallen: het maakte hem niet zoveel uit, als hij je er een plezier mee deed! 

ÇıtÇıt neemt een zandbad

Ik zie hem nog lopen, na de maaltijd zonder omkijken de keuken uit, trap af en de tuin in. 

Wat de kat wil…

Sits bij grote kattenfamilies behoren misschien wel tot mijn favorieten. Vaak lijken de karakters van de dieren uitgesprokener, vaker dan eens kon ik niet aan de indruk ontkomen dat een aantal ervan zich socialer gedroeg dan je van een kat zou verwachten.
Zo ook Tonguç, de mater familias van een stelletje van acht. Jaren voordat ik op ze mocht passen, verkaste het baasje met Kara Biber en zij, beiden oorspronkelijk straatkatten, van het vasteland van Istanbul naar Büyükada, de grootste van de Prinseneilanden. Het was het begin van een grote kattenfamilie. 


Kort na de eerste kennismaking was het al zo klaar als een klontje: bij deelname aan een kampioenschap kroelkatten zou deze dame hoge ogen gooien. Haar verschijning had al iets vertederends over zich; ondanks dat zij een dame op leeftijd was (14 op het moment van schrijven) speelde zij het klaar de uitstraling van een jonge poes te behouden. In het zoeken van toenadering kon zij bijzonder vasthoudend zijn. Het leek voor haar onoverkomelijk, dat de functie van een laptop niet strookte met haar ideeën over waar een schoot voor bedoeld zou zijn: zij leek te vinden dat dit primair haar domein was. Maar dit optimistische poesje liet zich nooit uit het veld slaan en bleef in geval van afwijzing zoeken naar een ander lekker plekje. Dit was in ieder geval fysiek gezien zo dichtbij mogelijk. 

We spoelen de tijd anderhalf jaar vooruit. Ik ben op bezoek op Büyükada en daar hoort een hernieuwde kennismaking met mijn favoriete kattenfamilie bij. Terwijl ik met haar baasje sta te praten, voel ik iets zachts doch dwingends tegen mijn been aanduwen. Als ik omlaag kijk staren twee groene ogen mij vragend aan terwijl ze tegen mij begint te miauwen, alsof ze wil zeggen: “Ja, hallo, zie je me nu pas!” Het bezoek leidde tot de beslissing de sit van weleer te herhalen, de zomer erop. Heel graag zelfs.

Terwijl het leeuwendeel van de katten zijn eigen dagelijkse gangetje gaat zoals het een kat betaamt, lijkt Tonguç innig tevreden met mijn gezelschap. Haar vasthoudendheid herinner ik mij nog goed en deze is nog steeds present. Wat zij wil, dat wil zij! 

Ook tijdens mijn dagelijkse meditatie, die ruim een half uur in beslag neemt, wenst zei niet van mijn zijde te wijken. Heel prettig is dat niet voor mij, want ook in de avonduren loop het kwik nog steeds tegen de dertig graden aan en de warmte blijft lang hangen in huis. Maar terwijl het gros van de andere katten zich al uit de voeten maakt zodra ik mijn mantra begin te chanten, vraagt Tonguç op dat moment juist nadrukkelijk mijn aandacht. Door kopjes te geven tegen mijn handen, die in een mudra (handhouding) op mijn knieën liggen. Het maakt me aan het lachen, want doordat ze een beetje een overbeet heeft voel ik haar tanden Als dat niet baat, begint ze mijn handen te likken. Het is een goede oefening mijn concentratie te bewaren!

Het laatste redmiddel voor dit affectieve poesje is zich bij de situatie neer te leggen. Letterlijk en dichtbij mij. Al dan niet met een pootje op mijn been. Zou dit een mudra voor katten kunnen zijn? 

Een kat alleen

Sinds korte tijd was Lily alleen. Bij de eerste kennismaking had ik haar maatje Suus nog ontmoet, ook een Heilige Birmaan en even beeldschoon. Vergelijkingsmateriaal met hoe ze voorheen was had ik niet, want ik kende Lily nog niet, maar haar baasje maakte zich een beetje zorgen om haar. Sinds ze alleen was, was haar gedrag veranderd. Ze doelde onder meer op veelvuldig miauwen en slecht eten. 

Lily slaapt

Als eerste viel het veelvuldig slapen me het meeste op! ‘s Ochtends was ze bij het krieken van de dag weliswaar al actief; als ik heel vroeg opstond om het toilet te gebruiken, leek het erop dat ze al zat te wachten tot mijn dag ook begon. De rest van de dag leek ze in een diepe slaap door te brengen.
Veel interesse in haar ochtendhapje leek ze niet te hebben, want als ik het huis verliet om naar het werk te gaan lag ze al met gesloten ogen op de bank. Meestal zei ik dan nog iets als ‘daaag meisje, fijne dag’, maar meer respons dan een oog wat op een kiertje openging kwam er nooit. Zoals ik haar achterliet, zo trof ik haar ook weer aan bij thuiskomst vroeg in de avond: opgerold als een snoezige pluizenbal. Het was altijd even zoeken waar het koppie zat! Ze leek pas weer tot leven te komen als ik had gekookt, gegeten en opgeruimd.
Net zoals ze ’s ochtends weinig animo voor haar ontbijt vertoonde, kan hetzelfde gezegd worden voor haar avondmaal. Ze kreeg een blikje kattenvoer aangelengd met water, waarvan alleen het natte gedeelte altijd schoon op ging. Misschien beeld ik het me in, maar in de loop van de periode dat ik op haar paste zag ik haar vaker eten en drinken. De wederzijdse toenadering verliep ook beter en zo kwam het ervan dat ze ’s nachts aan mijn zijde sliep. De dagen ervoor leek het erop dat ze slechts kwam controleren of ik al wakker was. Het deed me denken aan vroegere logeerpartijen, wanneer iemand op het moment dat je bijna in slaap valt de stilte doorbrak met de luide vraag: “Ben je nog wakker?” 

Lily speelt

Om haar in ieder geval minder actief te maken op het moment dat ik mijn nachtrust juist nodig had, besloot ik een oude truc van stal te halen: samen spelen! Ondanks dat zij al een kat op leeftijd was, was Lily erg kien.  Ze had een afgedankt snoertje waar ze onvermoeibaar achteraan rende, om er vervolgens bovenop te springen met de intentie het nooit meer los te laten. Het leidde tot naast mij slapen, in plaats van in het donker naar mij staren en het nachtelijk miauwen werd er gelukkig door geminimaliseerd. Geïnspireerd door dit kleine succes toog ik naar de dierenwinkel en kocht er een in katnip gedrenkt speelgoedje met echte veren aan een hengel. Ik mag graag denken dat deze attentie de band verder verstevigde. 
De avond voor vertrek kwam ze even op schoot zitten, om te spinnen dat het een lieve lust was terwijl ik haar in haar nekje kriebelen. “Oooooh, ik zal je missen, mis je mij ook?” zei ik tegen haar.
De volgende ochtend, voor ik de deur voor de laatste keer achter mij dicht deed,  nam ik niet de moeite afscheid van haar te nemen. Ik hoefde alleen maar naar de opgerolde pluizenbal te kijken en zachtjes “daaaaag” te zeggen! 

In goed gezelschap

Katten staan erom bekend dat ze van nature solitaire wezens zijn. Dat is algemeen bekend, maar het neemt niet weg dat de omstandigheden waaronder een poes opgroeit ook van invloed zijn op zijn persoonlijkheid.  Zo was ik uitermate verbaasd vast te moeten stellen dat de zogenaamde geredde straatkatten die ik tegenkwam vaak een bijzonder sociaal karakter hadden. Het is al ietsjes beter te begrijpen als je je realiseert dat deze dieren vaak noodgedwongen in groepen leven; het verschaft hen onder meer veiligheid in een vijandige omgeving. Daaruit zou geconcludeerd kunnen worden, dat ook poezen die van jongs af aan gewend zijn in menselijk gezelschap te verkeren, vaak heel gezellig zijn. 

Tommie was de personificatie van een sociale kat. Als kitten kwam hij terecht in een gezin met twee jongens van rond de tien jaar oud, waar bovendien dagelijks een half dozijn andere, jonge kinderen over de vloer kwam. Met ‘jong’ bedoel ik in dit geval onder de vier jaar, want zijn baasje faciliteerde kinderopvang aan huis. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan alleen een kitten die zich helemaal veilig voelt, zich in een dergelijke situatie handhaven. Katten houden immers van voorspelbaarheid, en kinderen voldoen per definitie niet aan die kwalificatie. 
Deze kat bleek menselijk gezelschap heel prettig te vinden. Bij aankomst voor de sit opende ik de voordeur met een sleutel, om vanachter glas oog in oog met een sip kijkend poesje te staan. Terwijl ik mijn spullen naar binnen loodste, miauwde hij klaaglijk: “Waar was je nou toch al die tijd,” leek hij te willen zeggen, “ik was helemaal alleen”. Alles was snel vergeven en vergeten. Het luide gespin kwam me tegemoet zodra de tussendeur openzwaaide en een gesprek kwam op gang. Tommie miauwde, ik babbelde terug. Hij was erg gemakkelijk in de omgang, wilde geaaid worden zodra hij me zag en kwam op schoot zitten zodra ik plaatsnam op de bank. Dat verliep altijd volgens hetzelfde stramien: Tommie nam plaats en zocht zijn positie, wat meestal tegenover mij was. Dan legde hij zijn pootjes ter hoogte van mijn borsten, om vervolgens op genotvolle wijze een pompende beweging te maken, waarbij de nageltjes helaas niet ingetrokken bleven. Lang leve de bh met vulling!

Er waren slechts twee situaties waarin ik een beetje op hem moest mopperen. Vermoedelijk zag hij mijn laptop als een rivaal, want daar blijf hij maar over heen en weer lopen als ik aan het werk was. Ook een bord met eten had een magnetische aantrekkingskracht op hem. Waarschijnlijk een teken van intelligentie, een nieuwsgierig poesje moet haast wel een slim poesje zijn. Op beide situaties reageerde ik echter steevast hetzelfde: door hem vriendelijk doch gedecideerd op de grond te zetten.  

Bij het afscheid was Tommie in geen velden of wegen te bekennen. Het gerommel met spullen en gesjouw met tassen vond hij waarschijnlijk niet zo geslaagd, want hij had zich onder de bank verschanst. In mijn verbeelding zag ik hetzelfde verbouwereerde gezichtje dat ik bij aankomst trof: “He, ga je nu alweer weg?”

Liefde volhardt

Er was een tijd, dat ik ervan overtuigd was dat Loca een hekel aan mij had. Het bleek uit bijna alles; zowel uit wat hij deed als uit wat hij liet. Aanvankelijk leek hij wel nieuwsgierig te zijn naar de nieuwe oppas. Maar doordat hij slechts aan mijn hand snuffelde om vervolgens met een smalende blik zijn weg te vervolgen, vreesde ik gewogen en te licht bevonden te zijn… Niet op schoot zittende katten komen wel vaker voor, maar absoluut geen interesse in aandacht? Een zeldzaamheid!

Bij de tweede keer oppassen, een lange sit van een maand, was ik vastberaden zijn hart te stelen. Behalve elke dag spelen en borstelen had ik geen vast omlijnd plan. ‘God zegene de greep’, dacht ik, met liefde voor katten en doorzettingsvermogen kom ik vast een heel eind!

Het borstelen ging dan ook prima, zodra ik met de behoorlijke ruwe borstel Loca’s dikke vacht begon te bewerken lag hij bijna te kronkelen van genot! Hij zakte door zijn pootjes, soms met zijn bips omhoog en knorde dat het een lieve lust was. Binnen enkele dagen klopte ik mijzelf op de borst omdat ik dacht ik dat de strijd gewonnen was. Mis!
Op de derde oppasdag kwam ik ’s avonds rond middernacht thuis. De volgende ochtend moest ik vroeg op, dus ik keek uit naar een warm, zacht bed. Zodra het licht in de slaapkamer aanging zag ik wat er gebeurd was: iemand had een dikke drol op het dekbed gedeponeerd… Gelukkig lag er een laken tegen de poezenharen bovenop, zodat het slechts een kwestie van drolruimen en overtrek in de wasmachine gooien was!

Het leverde mij wel een extra kopzorg op: wat mist dit poesje nu eigenlijk? Het antwoord was natuurlijk: zijn baasje. En eerlijk gezegd wist ik ook niet wat ik meer kon doen om zijn hart te stelen. Dus deed ik het enige wat ik kon bedenken: volharden. Ik bleef elke dag borstelen. De behandeling werd elke dag met evenveel enthousiasme begroet. Het spelen kwam niet echt van de grond, maar naarmate de sit vorderde kwamen de katten uit zichzelf meer in beweging. Misschien moesten zij ook aan mij wennen?

Loca met zijn nieuwe lievelingsspeeltje

Uiteindelijk is het me toch gelukt! Een hard bewijs voor deze aanname heb ik niet, maar ik denk dat het is gekomen doordat ik een cadeautje voor Loca en zijn vriendinnetje Izzy heb gekocht. Dit presentje was een schot in de roos! Een simpel lapje hazenbont met wat fazantenveertjes eraan genaaid, gevuld met valeriaan leidde tot aandoenlijke taferelen. Aan het einde van de sit, een maand later, werd er nog enthousiast mee gerollebold. En van lieverlee merkte ik ook dat Loca ontdooide. Hij keek me aan met een open blik, aaien mocht nu wel en hij zag er zelfs geen bezwaar in zich aan mijn voeten te nestelen als ik ’s avonds in een stoel zat. Het grootste bewijs van alles, was wel dat ik ’s nachts wakker werd van een zwaar gewicht op mijn voeten: dat van Loca.


Het is waar; liefde volhardt. Ook liefde voor katten.

Is genoeg echt genoeg?

Wie een zwak voor poezen heeft, is heel kwetsbaar in een omgeving waar veel straatkatten zijn. Enerzijds kan dat veel pittoreske plaatjes opleveren, maar wie verder kijkt dan zijn neus lang is, moet de keerzijde van de medaille ook zien: honger en ziekte onder de dieren.
Dat merkte ik tijdens een cat sit in Buyukada, een eiland van ruim vierkante kilometer in de Zee van Marmara, pal voor de kust van Istanbul. Het eiland is van oudsher een toevluchtsoord voor rijke Istanbulieten tijdens de hete zomers. Tegenwoordig is het er ook tjokvol met dagjesmensen, hoofdzakelijk Turken en Golfarabieren. Tijdens mijn verblijf reden die er vooral rond op met bloemetjes versierde fietsen of in een koetsje, fayton genaamd. Die zijn inmiddels afgeschaft en vervangen door een elektrische variant erop. Het fenomeen was al langere tijd aan kritiek onderhevig vanwege de slechte conditie waarin veel van de dieren zich verkeerden, de situatie was niet langer houdbaar na een uitbraak van de paardenpest.

De Voortuin Posse

Maar met uitzondering van een enkel pesterig jongetje dat meent dat het leuk of stoer is een kat te plagen, zag ik vooral medeleven. Een beeld dat me bij is gebleven, is dat van een meisje dat op een muurtje uit een waterflesje zat te drinken, en toen zij per ongeluk oogcontact maakte met de kat die naast haar zat, het dopje vulde om dat met hem te delen. Overal waren tekenen dat men zich het lot van de dieren aantrok: in de meeste straten stonden bakjes voer en water. Gastvrouw Tugba liep dagelijks een rondje over het eiland: ze wist precies waar katten zaten en gaf ieder een portie. Soms werden we aangesproken door bewoners: gelieve hier niet te voeren, daar wordt al voor gezorgd… Daarbij kregen ook de dieren die haar tuin bevolkten te eten: ik doopte ze de Voor- en de Achtertuin Posse. Rond voedertijd kon het er heftig aan toe gaan, de beesten maakten tweemaal daags een uitgehongerde indruk!
Door haar compassie met het lot van de dieren had Tugba uiteindelijk negen katten. Met slechts twee was ze naar het eiland getogen, inmiddels was het aantal uitgegroeid naar negen. ’s Zomers was dat een fluitje van een cent, omdat de katten zich dan hoofdzakelijk buiten bevonden. Ik kan me alleen maar voorstellen hoeveel werk het in de winter met zich meebrengt, wanneer alle poezen binnen op de bak gaan en op het meubilair liggen! Het mag dan ook niet verbazen dat de laatste aanwinst ‘Yeter’ was gedoopt, Turks voor genoeg! Of het haar zal lukken zich aan haar voornemen te houden, zal de toekomst uitwijzen!

Yeter: Wie kan hier nu ooit genoeg van hebben?